
Jurisprudentie
AV1538
Datum uitspraak2006-02-09
Datum gepubliceerd2006-02-13
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers286502 CV 05-2629
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2006-02-13
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers286502 CV 05-2629
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
kantonzaak. werknemer verzuimt in dagvaarding te vermelden dat over dit geschil eerder bindend is geadviseerd. beroep werkgever op niet ontvankelijkheid slaagt, nu werknemer geen grond voor vernietigbaarheid van het bindend advies heeft aangevoerd als bedoeld in art. 7:904 BW.
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD
sector kanton – locatie Deventer
zaaknr.: 286502 CV 05-2629
datum : 9 februari 2006
Vonnis in de zaak van:
[EISER],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
gemachtigde mr. C.M.J. Moerkens, werkzaam ten kantore van FNV Kunsten Informatie en Media te 1006 AJ Amsterdam, postbus 9354,
tegen
de besloten vennootschap ROTO SMEETS DEVENTER B.V.,
gevestigd te Deventer,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. C.I.M. Molenaar, advocaat te 1130 AD Volendam, postbus 156.
De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- de dagvaarding
- het antwoord van de gedaagde partij
- de nadere toelichting van de eisende partij, waarna de gedaagde partij niet meer heeft gereageerd.
Het geschil
Eiser vordert betaling van vakantietoeslag over een hem door gedaagde uitbetaald bedrag als vertrekregeling in verband met een ontslag. Gedaagde heeft bij antwoord geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van eiser, subsidiair de vordering inhoudelijk betwist. Na de repliek van eiser heeft gedaagde niet meer gereageerd, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld.
De beoordeling
1.
Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:
a. Eiser is tot 16 juni 2004 in dienst geweest van gedaagde, laatstelijk in de functie van teamcoördinator tegen een salaris van € 2.915,75 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten. Op die arbeidsovereenkomst was van toepassing de Grafimedia CAO (hierna: de CAO).
b. In verband met zijn ontslag is eiser door gedaagde een vertrekpremie toegekend, gebaseerd op een in die periode in de onderneming van gedaagde van toepassing verklaard sociaal plan.
c. De vertrekpremie was berekend naar 26 weeksalarissen, echter zonder berekening van vakantietoeslag.
d. Eiser meent dat over de hem uitgekeerde vertrekpremie vakantietoeslag verschuldigd is, en heeft daartoe in twee instanties bedrijfscommissies volgens de CAO benaderd, en wel in eerste instantie de Commissie grafimedia en in hoger beroep de Centrale Commissie grafimedia. In beide instanties is zijn vordering afgewezen.
2.
In de dagvaarding heeft eiser zijn vordering toegelicht zonder zelfs maar gewag te maken van zijn gang naar de bedrijfscommissies volgens de CAO. Nadat gedaagde bij antwoord had aangevoerd dat tussen partijen al in twee instanties bij de hiervoor onder 1 sub d bedoelde bedrijfscommissies was geprocedeerd, heeft hij dat niet betwist, integendeel erkend dat tussen partijen sprake was van een bindend advies en dat zijn vordering – anders dan de dagvaarding wilde doen geloven – was gestoeld op artikel 7:904 BW. Noch bij de dagvaarding noch bij repliek heeft eiser het nodig geacht om de regeling van de vertrekpremie in het sociaal plan of de beslissingen van de beide bedrijfscommissie in het geding te brengen, hetgeen vooral verbaast tegen de achtergrond van zijn bij repliek ingenomen standpunt dat de beslissing van de Centrale Commissie grafimedia onaanvaardbaar is in de zin van artikel 7:904 BW. Deze bizarre wijze van procederen (een wezenlijk onvolledige dagvaarding en een daaraan verbonden impliciete wijziging van de grondslag van de vordering bij repliek) zou gevolgen moeten hebben gehad als de vordering voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking zou zijn gekomen. Dat laatste is niet het geval, zodat één en ander thans kan blijven rusten.
3.
Gedaagde heeft bij antwoord geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van de vordering, nu het geschil in kwestie tussen partijen reeds onderwerp was van een bindend advies (in twee instanties) en het eiser niet vrijstaat om aangaande hetzelfde onderwerp nog eens het oordeel van de burgerlijke rechter te vragen. Subsidiair heeft gedaagde aangevoerd dat en waarom het bindend advies materialiter juist is.
4.
Het verweer inzake de niet ontvankelijkheid van de vordering slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat de Centrale Commissie grafimedia in hoger beroep een hen beiden bindend advies heeft afgegeven waarin de vordering van eiser, zoals ook in deze procedure aan de orde gesteld, werd afgewezen. Artikel 7:904 bepaalt dat zo een beslissing slechts vernietigbaar is als gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Eiser heeft als enige bezwaar tegen die beslissing aangevoerd, dat daarin zijn standpunt, dat over de hem door gedaagde betaalde vertrekpremie ook vakantiegeld berekend had moeten worden, niet is gevolgd. Hij heeft niet bestreden de stelling van gedaagde dat de regeling in het sociaal plan, waarin de berekening van de vertrekpremie is opgenomen, niet over de berekening van vakantiegeld rept. Bij die stand van zaken kan bezwaarlijk worden volgehouden dat het (kennelijke) oordeel van de Centrale Commissie grafimedia, dat over de aan eiser betaalde vertrekpremie geen vakantiegeld verschuldigd is, naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.
De vordering wordt afgewezen. Eiser wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
De beslissing
De kantonrechter:
- wijst de vordering van eiser af;
- veroordeelt eiser in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op:
? € 150,00 voor salaris gemachtigde.
Aldus gewezen door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 9 februari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

